Rubriek :
Dier - algemeen
Bewoners van meren en
moerassen
Behalve een groot
aantal moerassen hebben Centraal- en Oost-Afrika een aantal
grote meren die langs de Great Rift Valley liggen. Het zijn
onder andere het Victoriameer, Kyoga-meer en Turkana-meer (dat
vroeger het Rudolf-meer heette) in het noorden en het
Malawi-meer in Tanganjika-meer, die meer naar het zuiden liggen.
Het Turkana-meer, Malawi-meer en Tanganjika-meer behoren tot de
diepste en grootste meren ter wereld. In deze waterrijke
gebieden leeft een groot aantal verschillende zoogdieren,
vogels, reptielen en amfibie�n. Ze worden aangetrokken door de
dichte begroeiing van papyrusriet, waterhyacinth en andere
waterplanten en ook door de overvloed aan eetbare insecten en
vissen.
De antilopen vormen een verbazend gevarieerde diergroep. In dit
gebied leven twee antilopen die zich aan het waterleven hebben
aangepast. Het zijn de lechwewaterbok en de sitatunga, die nog
meer van water houdt dan de lechwewaterbok. Beide soorten hebben
lange hoeven en lenige enkels. Daarmee kunnen ze hun hoeven
wijder uiteen op de drassige grond zetten, waardoor hun gewicht
gelijkmatiger wordt verdeeld. Op droog terrein kunnen de dieren
niet zo goed uit de voeten. Het zijn echter uitstekende
zwemmers. Beide diersoorten brengen een groot deel van hun tijd
door in het water.
De buffels zijn nog groter dan de waterbokken. Ze komen in de
hele streek voor. Men vindt ze in dichte bossen, maar ook op de
vlakten waar ze zich graag ophouden bij poelen om zich in te
kunnen wentelen en besmeuren met modder. De in de vlakte
voorkomende ondersoort kan een gewicht van achthonderd kilo
bereiken. Het is de enige wilde rundersoort die in Afrika
voorkomt. De buffel is, net als de meeste runderen, een
vredelievend dier. Maar wanneer men hem stoort, kan hij zo woest
worden dat zelfs leeuwen zich wel twee keer bedenken voor ze hem
gaan aanvallen.
Behalve
olifanten en breedlip-neushoorns treft men in deze omgeving ook
nijlpaarden aan. Met zijn buik bijna op de grond sjokt het dier
in het maanlicht langs oeroude paden door het gras naar zijn
weidegronden. Het nijlpaard heet officieel Hippopotamus. Dat
betekent letterlijk 'rivierpaard'. Het dier is echter geen
familie van het paard, maar wel van het zwijn. De nijlpaarden
worden meestal in groepen van niet meer dan vijftien stuks
aangetroffen. Er komen echter groepen voor die veel groter zijn.
De nijlpaarden brengen het grootste deel van de dag
ondergedompeld in moerassen, rivieren of meren door. Of ze
koesteren zich aan de oevers van een rivier in de zon. Het
nijlpaard-mannetje kan een gewicht bereiken van zo'n 3200
kilogrram. Hij heeft voor het in stand houden van dat enorme
lichaam zo'n veertig tot zestig kilo plantaardig voedsel per dag
nodig. Hij nijlpaard deponeert zijn ontlasting of in het water,
waar dit een smakelijk voor de vissen en de vogels oplevert, of
op vaste plaatsen aan de oever van de rivier.
De nijlkrokodil leeft op dezelfde plaatsen als het nijlpaard.
Hij heeft net als het nijlpaard zijn ogen, oren en neusgaten
bovenop zijn kop en snuit. Daardoor kan hij ademen, ruiken,
horen en zien terwijl hij zich bijna helemaal onder water
bevindt. Tussen het nijlpaard en de nijlkrokodil heerst
gewoonlijk een gewapende vrede. Maar wanneer er af en toe een
gevecht uitbarst, dan wint het nijlpaard meestal. Het gebit van
het nijlpaard ziet er met zijn grote tanden en slagtanden nogal
rommelig uit, maar het is effectief een geducht wapen. Het
nijlpaard gebruikt het voornamelijk in gevechten om gebied en
vrouwtjes.
De nijlkrokodillen begraven hun eieren in kuilen langs de
rivieroevers. Bij het eerste geluid van de volledig ontwikkelde
jongen, die dan nog in de eieren zitten, graven de vrouwtjes ze
voorzichtig uit. Ondanks deze voorzorgsmaatregelen worden de
krokodille-eieren vaak gestolen door Nijlvaranen (zie foto).
Deze tot 1,80 meter lange hagedissen eten ook de eieren van een
groot aantal verschillende watervogels zoals reigers, pelikanen,
heilige ibissen en lepelaars.
De zeldzame schoenbek-ooievaar staat als een standbeeld in het
moeras geduldig te wachten tot er vissen of kikkers binnen zijn
bereik komen. De schoenbek-ooievaar kan net als de gewone
ooievaar urenlang onbeweeglijk blijven staan. Men gelooft dat
hij soms met zijn lange, gekromde snavel longvissen uit de bodem
van het moeras spit en naar boven haalt.